Het nieuws kwam als schuimrand op de ochtend: een onstuimige nacht, water over de boulevard, banken scheef, ramen beslagen van zout. Ik las de kop en hoorde meteen de adem van de zee in mijn eigen borst. Hoe snel water de taal van een stad kan veranderen—straten die gisteren nog stoepen waren, vandaag een spiegel die alleen de lucht kent.
De eerste zin van de dag
Er is altijd die eerste zin die alles herijkt. De storm werd een komma tussen twee alinea’s van gewoonte. We lopen anders, langzamer, alsof iedere plas een herinnering bewaart die breekbaar is. Iemand tilt een plastic stoel recht; iemand anders veegt voor zijn deur alsof hij een gebed schrijft met een bezem. Het nieuws geeft feiten, maar het licht voegt er tussenruimtes aan toe.
Water dat blijft nadenken
Ik denk aan de beweging die niet ophoudt wanneer de camera stopt. Golven hebben geheugen; ze leggen afstanden af tussen jaren. In de glinstering op nat asfalt lees ik tijd, uitgewaaierd. Misschien vertelt de storm niets nieuws, alleen iets ouds dat wij vergeten: dat grenzen onderhandelbaar zijn, dat wij te gast zijn op een oever die nooit af is, dat iedere stad een kuststad is, zelfs ver van het water.
Een stad als schelp
Je hoeft niet te luisteren met je oor tegen de zee; een schelp draagt de echo mee het land in. Vandaag klinkt de stad hol en helder tegelijk. Fietsbel, meeuw, het kraken van emmers vol schuim—al die geluiden randen de stilte aan. Het is de stilte die blijft hangen nadat de sirenes zijn ver weggezakt, de stilte die vraagt: wat bewaren we, wat laten we meedrijven?
Wat we bewaren
Handen die oprapen. Namen van straten die we opnieuw leren, nu ze tijdelijk water namen dragen. De geur van zout op stoepkrijt, een schaduw van een hek dat zich dubbel tekent in een plas. En ook: het besef dat zorg geen nieuwswaarde heeft tot het water onze drempel kust—dat we eerder kunnen luisteren, lichter kunnen lopen, ruimer kunnen ademen.
Wanneer de zon voorzichtig door de nevel knipt, valt het licht als een lint over de tegels. Iemand vangt het met zijn blik en draagt het weg als een kleine, warme voorzorg. Misschien is dat wat de storm ons leert: dat we niet alleen opruimen, maar ook stemmen verzamelen voor de volgende zin. En dat we, met zout op de lippen, even preciezer mensen worden.


















