Ik zat bij het raam toen het bericht binnenstroomde, een korte trilling op tafel, een golfje door het glas. Buiten streek de regen de stad glad, strepen op trottoirs, gezichten die spiegelden in plassen. In het scherm verschenen woorden die groter wilden zijn dan zinnen, namen die kleiner leken dan hun gewicht. Ik las en herlas, alsof de betekenis ergens tussen de regels hing, als adem in koude lucht. Het nieuws beweegt snel, maar mijn hart wil traag, een paar passen achter de haast aan.
De rimpel die blijft
Elk bericht is een steen in water: de klap is kort, de rimpels zelden. We spreken in getallen, maar aan de keukentafel worden getallen gezichten. Op bankjes bij bushaltes worden grafieken tot verhalen, in een blik, in een schouder die iets meer zakt. Ik vraag me af hoe vaak we voorbij elkaar lezen, of we het verschil kennen tussen weten en begrijpen. De dagbladkoppen verruilen hun vet voor stilte zodra het licht dooft, en toch zinderen ze na in onze kamers.
Traag lezen in snelle tijden
Er is een ruimte tussen twee zinnen waarin we kunnen ademen. In die tussenruimte woont nuance, een kamertje met een raam op twee kanten. Ik probeer daar te blijven, niet om te dralen, maar om recht te doen aan wat niet schreeuwt. Achter elk citaat schuilt een stem die aarzelde, achter elk besluit een hand die trilde. Misschien is luisteren niets anders dan de moed vinden om dat trillen niet te verbergen, om niet meteen te antwoorden met ons eigen gelijk.
Wat we elkaar schuldig zijn
We zijn elkaar kleine aandacht verschuldigd, het soort dat geen applaus vangt: een vraag zonder haast, een koppige zachtheid, een uitleg die tijd mag kosten. In tijden waarin snelheid als deugd geldt, is langzaam begrip een vorm van verzet. Niet alles wat waar is, past in een alinea; niet alles wat brandt, is zichtbaar. Dus leg ik mijn telefoon neer, één adem lang, en laat de woorden op hun eigen benen staan. Soms blijft er minder over, soms juist meer.
Wanneer de regen stopt, blijven de natte straten nog even schitteren, alsof de stad een antwoord probeerde te formuleren en halverwege bedacht dat zwijgen beter was. Ik sluit het scherm, niet om te vergeten, maar om plaats te maken. Misschien begint zorg precies daar: waar het nieuws ophoudt met zenden en wij aangaan, niet met lawaai, maar met een hand die blijft, met een stem die het zachte kiest, en met de traagheid die ruimte maakt voor ieders gewicht.


















