Advertisement

Waar de dag ademhaalt: notities tussen stappen

De ochtend schuift langzaam door het raamkozijn alsof licht een beleefd bezoek brengt. Ik adem in, tel tot vier, adem uit, en iets in mij wordt eindelijk stil. Buiten tikt een fietsbel als een komma in een zin die nog niet af is. Terwijl ik mijn schoenen strik, hoor ik het droge fluisteren van veters en het zachte kraken van hout; kleine geluiden die de dag aftekenen zoals potlood een rand zoekt. Ik loop naar buiten, proef lucht die naar metaal en regen ruikt, en voel hoe mijn gedachten hun jas uitdoen.

De ademhaling van de dag

Elke straat heeft zijn ritme, een langzaam in- en uitademen dat voor het oog onzichtbaar blijft. In de damp op een ruit zie ik kaartlijnen van uitgestelde reizen; vingerkootjes kunnen er wegen in trekken, maar de bestemming wacht. De waterkoker sist, het brood veert terug onder de duim: rituelen die bewijzen dat het gewone nog altijd heilig is. Wanneer ik stilsta, merk ik hoe tijd niet voorbijgaat maar openklapt, als een boek dat vanzelf naar de gelaste bladzijdes terugvalt.

Spiegelingen in water en tijd

Langs de gracht ligt het water als een gedachte die net niet uitspreekt wat zij bedoelt. Huizen buigen zich in hun spiegelbeeld en lijken zichzelf beter te begrijpen. Ik kijk mee en vang flarden van vroeger — een stem die mijn naam droeg, een hand die mijn haast temde. Het is vreemd hoe herinneringen geen verleden zijn maar kleurovergangen; ze wrijven zich tussen nu en straks en laten glans achter. Ik leer het water niets te vragen, enkel te luisteren tot mijn pas vertraagt.

Het zachte gewicht van keuzes

Soms klinkt kiezen als schuren: het hout van twee planken dat besluit één tafel te worden. Ik herken het in de frons tussen mijn wenkbrauwen, in de aarzeling van een vinger boven de knop die ‘verzenden’ zegt. Maar er is ook het bijna onhoorbare ja, het knikken van iets in je borstkas dat fluistert: hier. Keuzes zijn minder snijden en meer snoeien; ze vragen niet om verlies, maar om licht. Wat blijft, krijgt ruimte, en wat gaat, laat schaduw achter die eindelijk kan ademen.

Wanneer ik terugkeer, hangt de middag als een warme jas over de stoel. Ik zet een glas water neer, recht een scheef fotolijstje, en hoor buiten een merel de zin afmaken die ik vanochtend begon. Misschien is dat alles wat er nodig is: kijken tot de wereld terugkijkt, stappen zetten alsof je papier niet wil kreuken, ruimte laten tussen woorden zodat wind erdoorheen kan. En als de dag weer uitademt, kan ik met haar meebewegen — niet om te eindigen, maar om te blijven.