Er was vandaag een bericht, niet luider dan een ademtocht, maar lang genoeg om een hele stad even stil te zetten. In de tram zwegen we, de blikken vastgeklonken aan een scherm dat licht gaf zonder warmte. Koppen schoven voorbij als wolken: kort, gehaast, overweldigend. Toch bleef ergens tussen die regels een ruimte over, een zachte nis waar het hart kon leunen en luisteren naar wat niet werd gezegd.
Tussen regel en resonantie
Ik denk aan de handen die ik zag bij de koffiebar: de barista die de melk liet zingen, de klant die een krant vouwde alsof hij een vogel probeerde te maken die nog niet wist hoe te vliegen. Het bericht van vanochtend droeg gewicht, maar het gewicht koos zijn eigen plaats in ons lichaam. Soms nestelt het zich in de schouders, soms in de keel, soms als een kleine steen in de broekzak die je pas ’s avonds weer ontdekt. Misschien ging het over verlies, of over veerkracht, of beide tegelijk—het soort waarheid dat zich niet laat samenvatten in vetgedrukte letters.
Wat nieuws doet, is ritme in ons leggen. Het tikt als regen tegen ramen, maakt de kamer kleiner en de klank groter. Ik merkte hoe mijn adem probeerde mee te tellen, hoe de dag een halve toon lager ging klinken. En toch, juist daar, in die verlaging, ontstaat een andere luisterhouding: de bereidheid om niet te oordelen, maar te horen.
De ritmiek van het nieuws
Elke headline is een metronoom, maar het leven speelt rubato. We schuiven door tijdlijnen alsof het perrons zijn, wachten op een trein die al is vertrokken en straks weer aankomt. Tussen vertrek en aankomst herinneren we ons dat aandacht een vorm van zorg is. We lezen, we vragen, we twijfelen. We scrollen, maar we verlangen naar grond.
Soms moet je een zin afmaken met stilte. Door het raam zag ik een spiegeling: een kind dat lachte, een fiets die zacht klikte, een bladzijde die omsloeg als een ademtocht. Het bericht klonk nog na, maar minder als een bevel, meer als een uitnodiging om te blijven kijken, langer dan de kop toestaat.
Ademhalen in het ruisen
Ik legde de telefoon neer, niet om weg te kijken, maar om dieper te zien. De dag hield zijn adem niet in; hij ademde met mij mee. Misschien is dat wat we kunnen doen met wat ons bereikt: het klein genoeg maken om te dragen, groot genoeg laten om ons te veranderen. In die zachte spanning tussen weten en niet-weten groeit iets dat op aandacht lijkt, en aandacht, zo leer ik telkens opnieuw, is een stille vorm van liefde.


















