Er zijn ochtenden waarop het licht de kamer niet binnendringt maar fluistert. De waterketel ademt, de ruit draagt de zachte nevel van de nacht nog even mee, en ergens verderop rolt de stad zijn haast uit als een tapijt. Ik luister naar de kleine geluiden die overblijven als alles zwijgt: het tikken van de verwarming, het ritme van mijn eigen borstkas. In die fracties van stilte begint de dag anders.
Traagte als tegenkracht
We zijn opgevoed met het idee dat snelheid de maat der dingen is. Toch merk ik hoe traag bewegen iets openbreekt. Alsof de tijd, zodra ik hem niet jaag, zijn ledematen strekt en zelf gaat ademen. Ik zet mijn telefoon omgekeerd neer, een uitgestelde storm. De wereld blijft bestaan in de wachtruimte van mijn aandacht, en ik kies een kleiner tempo, niet uit onverschilligheid, maar uit overgave.
Luisteren naar de tussenruimte
Er is een ruimte tussen bericht en antwoord, tussen adem en uitademing, tussen stap en volgende stap. In die spleet glanst iets wat vaak onzichtbaar blijft: nuance, compassie, inzicht dat niet aan deadlines gehoorzaamt. Als ik durf te wachten, hoor ik wat woorden niet zeggen en zie ik hoe mijn eigen gedachten proberen voor te rennen. Ik laat ze. Als nieuwsgierige vogels keren ze later terug, tammer en helderder.
Een ritueel van aandacht
Ik snijd brood alsof ik een kaart lees. De kruim valt als sneeuw, de korst zingt zacht onder het mes. Koffie stroomt als donker fluweel en de stoom tekent landschappen in de lucht. Ik noteer drie zinnen in een schrift dat geen doelen kent. Het zijn geen taken, maar sporen: waar ik was, waar ik misschien heen wil, en wat ik onderweg wil blijven voelen.
De weelde van het ongedane
Niet alles afvinken is geen nederlaag. Het ongedane draagt een belofte in zich, als een gesloten bloem die nog niet kiest tussen kleur of geur. Wanneer ik meewerk met het onvoltooide, ontdek ik een vriendelijker manier van vooruitgang. De dag hoeft niet glanzend afgerond; hij mag rafelen langs de randen, een weefsel dat open genoeg is om adem door te laten.
Misschien is dit de ware luxe: tijd niet bezitten maar bewoond worden door haar. De stad zal blijven gonzen, het werk zal blijven kloppen aan de deur. Tussenin ligt een veld dat niemand claimt: trager, wijder, zachter. Als ik daar sta, met lege handen en een luisterend hart, merk ik dat het leven niet vraagt om meer, maar om dieper. En dat de stilte, wanneer ik haar vertrouw, mij teruggeeft aan mezelf.

















