Advertisement

Maasdijk ademt uit: notities bij een vondst in de nacht

Het was een dinsdag die de adem inhield, alsof de polder zelf luisterde naar iets dat onder het oppervlak kraakte. In Maasdijk, tussen kassen als glazen zeeën, stond een loods met een hartslag die niemand mocht horen. De stilte was niet leeg; ze droeg dozen, pallets, geheimen die ruisten als riet in novemberwind. En toen, een handvol sirenes, blauwe strepen over nat asfalt; het licht sneed door het metaal en vond wat nacht wilde blijven.

Echo’s van Honderdland

Op bedrijventerrein Honderdland werd ruim 1000 kilo cocaïne aangetroffen. Een cijfer dat koud keldert in het lichaam: zestig miljoen euro straatwaarde, zoveel gewicht dat niet op de weegschaal, maar op gewetens drukt. De politie van eenheid Den Haag stapte door de schemering als door water; elke stap brak een spiegel. Ergens klonk nog een heftruck die na-zoemde, alsof hij de tijd wilde terugrijden.

Wat we verbergen

Deze plek kende arbeid en vroege ochtenden, thermosflessen, handen met aarde van de Westlandse randen. Maar waar handel stroomt, zoeken ook andere stromen een bed. Er is altijd een deur die net lang genoeg openblijft voor een zucht donker. We noemen het ondermijning, maar het is vooral een verhaal over wie we willen zijn wanneer niemand kijkt.

De cijfers zijn hard, de nacht was zacht. Ik denk aan hoe geld waarde krijgt van onze verlangens, en hoe die verlangens schaduwen werpen. Zestig miljoen glanst alleen in afwezig licht. De vondst legt niet enkel pakketten bloot, maar ook een vraag: hoeveel stilte hebben we geaccepteerd opdat dit kon groeien?

Dinsdag, nat asfalt

De regen maakte de tegels spiegelend; zwaailichten trokken lijnen als vissen onder het oppervlak. Tussen pallets en kratten hing een geur van karton, olie, en iets dat we niet willen benoemen. De loods hield zijn schouders op, alsof gebouwen ook kunnen schrikken. Buiten zeilden meeuwen laag, onverschillig en precies.

Na het tellen

Men zal rapporten schrijven, processen-verbaal stapelen, cijfers herhalen tot ze sleets klinken. Maar wat doen wij, aan keukentafels, in kassen, achter ramen die naar het lint van de N220 kijken? Misschien begint het met het herkennen van de stille plekken in onszelf waar gemak de wacht houdt en principiële moeheid in sluipt.

Ik loop weg in gedachten, langs sloten met dof novemberlicht. Maasdijk ademt uit. De polder blijft een vlakke hand die vraagt: wie leggen we neer, welke oogst willen we? Soms volstaat een verschuiving in wat we toelaten; nacht lijkt minder diep.