Ik leer de dag niet te openen met een zucht maar met wachten. Voor de eerste wekker houdt de stad nog even haar adem in. Op het raam hangt een dun vlies van nacht; als ik uitblaas, tekent mijn adem een verdwijnende kaart. Het licht is nog belofte, de taken zijn nog contouren. In de stilte tussen druppels en de verre vroegtrein besluit ik dat niet alles meteen hoeft te beginnen. Er is ruimte om te luisteren naar wat niet roept.
De taal van het vroege licht
Op de keukentafel ligt het vroege licht als een zachte deken. Stofdeeltjes dansen, ongevraagd, in een straal die net langs de mok schampt. De waterkoker fluistert nog na; boven de koffie hangt een trilling die lijkt op aandacht. Ik roer één keer, luister of de dag al antwoord heeft. Het notitieboek ligt open op een blad zonder haast. Wat ik niet weet, krijgt marges. Ik vouw de uren niet op tot strakke hoeken; ik houd ze als water tussen mijn vingers, om te voelen hoe ze stromen.
Rituelen als ankerpunten
Er zijn kleine dingen die de bodem leggen: een plant die ik dinsdag water geef, een potlood dat ik scherper maak dan nodig, het raam op een kier. Ik vouw de deken over de stoel, alsof ik een plek maak voor later. In het geluid van een straatveger hoor ik een ritme zonder haast. Deze patronen zijn geen gevangenis maar een oever. Ze houden de dag bij elkaar zoals kiezels een beek begeleiden: niet om hem te stoppen, wel om hem te geleiden.
Traagheid als verzet
Wie onderweg steeds sneller wil, verliest de namen van de dingen. Traagheid is geen luiheid, maar een manier van kijken die de randen terugbrengt. Ik zie hoe de schaduw van een lepel over het tafelblad kruipt, hoe de verf op de muur ongelijk droogt, hoe een mus even meelif t op het kozijn en dan besluit te vliegen. Tijd verdikt wanneer ik haar niet achtervolg. Uit die dikte vallen beslissingen die niet schuren, alsof ze hun oorsprong vinden in wortels in plaats van in alarmen.
Ik neem de ochtend mee als een stille bel in mijn zak. Ze klinkt pas wanneer ik te hard ga. Dan herinner ik me koffie die trilt, adem tegen glas, een deken die wacht. Als de dag rafelt, is er nog een plek om terug te keren: even tussen inhalen en aanwezig zijn. Daar woont een eenvoud die niets eist. Misschien is dat genoeg: de wereld niet versnellen, maar onze huid poreus maken voor het licht.

















