Er is een ogenblik in de ochtend dat nog geen naam draagt: het smalle land tussen in- en uitademen, waar het licht voorzichtig over de vensterbank kruipt en stofdeeltjes zich gedragen als kleine planeten. In dat ogenblik lijkt alles zich te herinneren dat het ook ooit stil was, lang vóór de agenda’s en de notificaties, lang vóór de haast haar knopen strikt.
De stilte die we overslaan
We zijn meesters in voorbijgaan. We lopen langs zachte aanwijzingen alsof ze muisstil scherven zijn, ongevaarlijk en klein. De theekop die stoomt, de vloer die koud aanvoelt, de jas die nog naar buiten ruikt: ze bieden een kaart aan van het nu. Maar vaak zetten we er slechts een voet op, om meteen weer verder te rennen naar een plek die nog niet bestaat.
Luisteren naar het onhoorbare
Ik leer het oor te geven aan het laagste register: het zoemen van de koelkast, het verre rinkelen van een tram, een kraan die even aarzelt. In dit onderaardse koor schuilt een ritme dat mijn hartslag spiegelt. Wie lang genoeg luistert, merkt hoe zelfs het zwijgen niet leeg is; het heeft vormen, bochten, een eigen stroming. De stilte is niet de afwezigheid van geluid, maar de plek waar geluid zijn schaduw laat vallen.
Een kaart van schaduwen
Het ochtendlicht schetst grenzen waar gisteren nog geen lijnen lagen. De schaduw van een plant tekent ribben over de tafel, een briefje buigt in door de adem van de kachel. Zo leert de kamer me elke dag opnieuw lezen. Elk object wordt een teken, elke kras een zinspeling. Alsof het huis zachtjes fluistert dat tijd geen pijl is maar een rimpeling in water.
De rijkdom van kleine rituelen
Ik vind mijn vaste route: water koken, schenkbeweging als een miniatuurwaterval, de pen die even weegt in de hand voordat hij de eerste lijn zoekt. Ik leg de sleutels neer op dezelfde plek, niet uit gewoonte maar als groet aan het toekomstige vertrek. Deze rituelen zijn geen ankers tegen de storm; ze zijn meeuwenkreten, aanwijzingen dat er een kust is, zelfs wanneer je hem nog niet ziet.
Ergens tussen het eerste en het laatste licht van de dag wordt duidelijk dat vooruitkomen zelden betekent harder duwen. Het is eerder het toelaten van een pas die je niet zelf zet: de wind die door de kier vult, de gedachte die zich ontvouwt als een papieren boot. Misschien is dit de eigenlijke arbeid van leven: de pauze cultiveren waarin betekenis naar ons toe wandelt. Ik adem uit en laat de wereld voor een tel dichterbij komen, net lang genoeg om te horen hoe zij mijn naam fluistert zonder haast.

















