Er is een zachte ruimte tussen twee momenten, een onzichtbare drempel waar adem zich hergroepeert en gedachten ontdooien. In die spleet van tijd ritselt het leven onhoorbaar: niet als nieuws, maar als nuance. De dag schuift niet in één ruk vooruit; hij rilt, pauzeert, kijkt even om. Ik leer dat pas wanneer ik mijn haast neerleg als een jas over een stoel. Dan worden muren minder strak, geluiden dieper, en elk gebaar—de lepel in de kom, het licht op de rand van het glas—een stille aanwijzing dat aanwezigheid geen product is, maar een houding.
De trage geografie van tijd
Tijd heeft oevers. Hij schampt langs gewoonten, legt afzettingen van herinnering neer, tekent delta’s waar plannen uitwaaieren. Soms stroomt hij stroperig door de kamer; dan hangt de middag als honing aan de ramen. Soms snijdt hij een ravijn—een bericht, een afscheid—en alles staat rafelig open. Ik ontdek dat mijn tempo de kaart tekent: hoe sneller ik ga, hoe platter het landschap lijkt. Maar wanneer ik sta, werkelijk sta, duiken reliëfs op: het kraken van het parket, de geur van regen in de gordijnen, de manier waarop schaduw een zinsnede onderstreept.
Rituelen als ankerpunten
Kleine rituelen spannen een touw over de kloof. De stoom van koffie die aan het raam likt, het kortstondige theater van een lepel die cirkels trekt; het knarsje van potlood op papier, een gezicht naar buiten, de lucht die net iets kouder is dan verwacht. In dat schrale, alledaagse licht mag ik vertragen zonder verklaringen. Een wandeling tot de hoek, een woord dat twee keer wordt geproefd, een telefoon die dan eindelijk stil mag zijn: het zijn boeien waaraan de dag zich vastknoopt, zodat hij niet wegdrijft in het open water van verplichtingen.
Luisteren naar het onhoorbare
In de stilte hoor ik geen leegte, maar het dunne fluweel van betekenis. De koelkast zingt in tertsen, buiten rolt een fiets als een ademtocht de straat af. Mijn eigen pols is een metronoom die nergens op aandringt. Soms stel ik een vraag en laat haar ongehinderd staan, als een vaas zonder bloemen. Het antwoord komt zelden met fanfare; meestal schuilt het in de hoek waar stofdeeltjes dansen, in de lauwe huid van het theeglas. Het vraagt slechts om een oor dat niet wil winnen, maar ontvangen.
Misschien is dit het eenvoudige werk: ruimte laten tussen zinnen, een bladzijde omkeren zonder haast, toestaan dat een dag zichzelf uitspreekt. Wanneer ik dat doe, verschuift niet de wereld, maar mijn manieren van kijken. Alles is minder schraal, meer gelaagd; zelfs de sleutels op tafel lijken hun eigen verhaal te fluisteren. En ergens, precies daar waar niets móét, groeit het besef dat tijd mij niet voorbijgaat—ik mag met hem meelopen, op sokken, door zacht licht.

















