Advertisement

De stille kunst van wachten

Er is een uur in de ochtend waarin de wereld nog niet beslist heeft wat ze zal zijn. In dat uur luister ik naar het zwijgen tussen de geluiden: het tikken van een radiator, een buur die zijn sleutels vindt, een vogel die even denkt dat hij alleen zingt. Ik zet de waterkoker aan alsof ik een inktvlek warm maak, en ik wacht. Niet op nieuws, niet op bevestiging—maar op die kleine schikking van binnen waarin alles net iets lichter valt.

De ruimte in het tussenin

Wachten wordt vaak verguisd als verlies van tijd, maar het is een kamer zonder muren waar gedachten uit hun jassen glippen. In de halte van het niet-weten leer ik mijn handen opnieuw vasthouden. De dag staat aan de drempel, hoed in de hand, en ik maak haar geen haast. Want haast scheurt de naden waar betekenis zich verstopt. In het traag toekijken merk ik hoe het licht langs de rand van een mok kruipt, hoe stofdeeltjes choreografie bedrijven op een zonneplek—een repetitie die niemand lijkt te leiden.

Ademhalingen tellen

Ik tel niet om te beheersen, maar om te dragen. Vier tellen in, zes naar buiten—een fluisterend akkoord dat mijn ribben leert buigen. In dat ritme raak ik de rafels van gisteren aan zonder ze open te trekken. Het verleden leunt tegen de muur, het toekomstplan maakt zich groot in de spiegel, en hiertussen in zit ik, schuin op een stoel, potlood in de mondhoek, papier dat nog niets van me vraagt. De stilte is niet leeg; ze is gevuld met ongeboren keuzes.

Het gewicht van kleine keuzes

Vandaag zal ik kiezen voor een trager mes door de boter, een langere omweg langs het water, een blik die blijft hangen op de wolk die geen haast kent. Niet omdat traagheid heilig is, maar omdat ze me herinnert aan de schaal van het mogelijke. De dag hoeft niet groots te worden om waar te zijn; ze hoeft alleen zacht genoeg te zijn om in te wonen. Soms is het grootste avontuur de beslissing om niet te vluchten voor het gewone.

Misschien is dat de werkelijke luxe: tijd durven laten vallen als regen op een stoeptegel, zonder te vragen wat ze oplevert. Ik drink mijn thee, schrijf een regel die de volgende niet belooft, en sta op met een rug die luistert. Buiten zet de wereld zich in beweging; binnen heeft iets zich gezet. Het wachten heeft me niet vertraagd—het heeft me afgestemd, als een snaar die pas muziek vindt wanneer ze niet langer probeert te bewijzen dat ze kan trillen.