Er is een uur waarin de stad haar adem inhoudt, net voor daglicht, wanneer ramen een grijze glans dragen en de stoepen nog donker dampen van de nacht. In dat stille tussenin staat de wereld op een rand. Ik loop, mijn stappen een zachte puls, en merk hoe gedachten zich afrollen als een touw langs kade en lucht. Tussen voetstappen opent ruimte, en in die ruimte begint iets dat op helderheid lijkt.
Over drempels en schaduwranden
Drempels zijn onopvallende leraren. Ze markeren niet alleen waar je binnenkomt, maar ook waar je een eerdere versie van jezelf achterlaat. De schaduwrand van een deur, de koelte van een hal, het aarzelende licht in een gang: elk is een kleine heroriëntatie. We leven vaker in overgang dan we denken, lezend tussen regels, luisterend naar pauzes, wachtend op de zachte klik waarmee iets precies in zijn plaats valt.
Het geduld van water
Langs de rivier leer ik geduld. Het water neemt alles aan zonder haast, draagt de lucht als een brief die telkens opnieuw wordt gelezen. Wolken komen binnendrijven, breken, lijmen zichzelf weer vast in het rimpelloze vlak. Geen argument, geen bewijsdrang, slechts stroom en ontvangst. Ik kijk naar mijn spiegelbeeld dat me niet geheel toebehoort en begrijp dat helderheid niet wordt afgedwongen, maar opduikt wanneer je wat je vasthoudt even rust gunt in je hand.
De taal van kleine gebaren
Er is een grammatica van gebaren die we zelden benoemen. Een mok draaien tot het oor precies goed staat. Een kraag rechtleggen. De verende klik van een raam dat net open genoeg is. Zulke handelingen zijn scharnieren voor het innerlijke gesprek. Als ik ze opmerk, vertraagt de dag een fractie, alsof tijd even zijn schouders ontspant. Er komt een luisterende toon in de kamer waarin de volgende zin zich durft te vormen.
Een oefening in tussenruimte
Kies vandaag een drempel die je vaak negeert. Kom een halve minuut eerder aan. Voel met je vingers het koele hout of het metaal. Adem drie tellen in, drie uit. Zoek in een ruit, plas of glanzende tegel naar een tweede horizonlijn. Stel een zachte vraag waarop geen dringend antwoord nodig is. Laat het antwoord, als het komt, even woordeloos blijven. Merk op hoe iets in je houding, nauwelijks merkbaar, verschuift.
Tegen de tijd dat de stad ontwaakt en de letters op borden scherp worden, voel ik hoe het licht terugschenkt wat het in de nacht behoedde. Wat geen naam had, heeft een contour. Ik steek het weg als warmte in een jaszak. Iedere dag is een deur, niet om open te beuken, maar om tegenaan te leunen tot je voelt hoe zij wil bewegen. Als we naar buiten stappen, laten we haar op een kier, zodat de wind kan blijven vertellen waar we waren en waar we heen zouden kunnen.

















