Advertisement

Tussen stilte en schermlicht

Er zijn ochtenden die zich openen als een langzaam ademhalen. Het licht kruipt behoedzaam over de rand van de tafel, de kamer houdt even haar schouders vast, en de wereld lijkt minder haastig te worden. Ik luister naar het zachte tikken van iets dat geen klok is: misschien het ritme van mijn eigen aandacht, misschien het geduld van stofdeeltjes die dansen in de eerste zon. In die luwte keer ik me naar binnen, waar tijd geen rechte lijn is maar een kring, een terugkerende golf die vraagt om niet alleen te worden gezien, maar ook beantwoord.

Over de stille ruimte tussen woorden

Tussen wat we zeggen en wat we bedoelen leeft een ruimte die uitnodigt om te wachten. Betekenis verdikt in de stiltes, zoals stoofperen langzaam kleur vinden in een pan; te vroeg geproefd, blijven ze bleek. Ik denk aan de marges in oude boeken, aan potloodzacht commentaar dat niets wil bezitten. Als ik lees met de traagheid van voetstappen door gras, glijdt de taal niet langer van me weg: ze blijft hangen, ruikt naar regen, en legt iets in mijn hand dat ik nog niet durf te noemen.

Het ritme van het alledaagse

Vertragen is geen pose, maar een reeks kleine keuzes met de ernst van gewone dingen. Het geritsel van een broodzak die niet scheurt, de waterkoker die mag zingen tot hij klaar is, een stoplicht dat rood blijft en mij leert om rood te zijn. Een hemd strijken als een gebed zonder woorden; de vouwen worden paden, het katoen ademt. Ik loop soms de langere weg naar de bakker, omdat de lucht daar anders ruikt en de stoep lichter valt. Tijd wordt stroperig in mijn handen, honing die niet wil haasten, en toch altijd arriveert.

Ademhalen in pixels

Het scherm is een rivier die sneller stroomt dan ik. Ik probeer oevers te bouwen: brede marges, meldingen die zwijgen, een cursor die knippert als een vuurtoren en me terugroept naar het nu. Ik typ langzamer dan ik denk, en verwijder meer dan ik laat staan. Soms zet ik de oneindige rol uit en merk hoe de wereld weer eindig durft te zijn. De algoritmes buigen als riet wanneer ik niet duw; het is niet de digitale storm die luwt, maar mijn gemoed dat besluit beschutting te zijn.

Misschien is vertraging een manier van zien: een hand die zachter vasthoudt, een mond die later antwoordt, een hart dat telt in andere maten. Ik draag een gladde steen in mijn jaszak, klein als een geheim; als ik hem voel, herinnert hij me aan gewicht en geduld. Dan doet de dag een stap naar me toe, en ik naar hem, tot we elkaar raken in een tempo dat niemand kan bezitten. Wat overblijft is eenvoudig en vol: genoeg om het licht te dragen, genoeg om te blijven.